Een tijdje geleden werd mijn vader heel ziek. Hij had heel veel pijn in zijn rug door een hernia. Daarom moest hij naar het ziekenhuis voor een operatie. Na die operatie kreeg hij een incomplete dwarslaesie en het caudasyndroom. Daardoor werken zijn benen niet meer zoals vroeger. Hij kan ze niet goed voelen en bewegen en heeft vaak pijn. Daarom gebruikt hij nu vaak een rolstoel.
Soms ben ik verdrietig omdat we niet alles meer kunnen doen zoals vroeger. Een keer gingen we naar een kringloopwinkel. Daar was ook een bovenverdieping, maar papa kon niet mee naar boven omdat er geen lift was. Later moesten we bij de halte een uur op de bus wachten. Papa moest toen huilen. Ik vroeg waarom hij verdrietig was. Hij zei dat hij het moeilijk vond dat hij niet alles meer samen met mij kan doen. Toen moest ik ook huilen. Papa was verdrietig om mij en ik was verdrietig om papa.
In het begin vroegen veel kinderen wat er met mijn vader aan de hand was. Soms vond ik dat best vervelend. Daarom heb ik er een keer over verteld in de klas. Iedereen mocht vragen stellen. Dat vond ik fijner dan steeds losse vragen tussendoor.
Soms ben ik bang dat het nooit meer helemaal goed komt. Dat zou kunnen. Als ik daaraan denk, maakt me dat verdrietig. Als ik me zorgen maak, helpt het om te praten of te knuffelen, maar soms lees ik ook gewoon even een boek. Ik heb ook een speciale Kikkerspray. Er staat op dat je er een rustig hoofd van krijgt en dat werkt echt. Een andere tip voor kinderen die ook een zieke vader of moeder hebben, is: praat erover of schrijf het op. Dan hoef je het niet meer in je hoofd te onthouden.
Er zijn veel dingen veranderd, maar ook veel dingen hetzelfde gebleven. We gaan bijvoorbeeld nog steeds op vakantie. Papa kan niet zelf de tent opzetten, maar vrienden op de camping helpen ons daarbij. Ik ben trots op mijn vader. En ook al is er veel anders, we houden nog steeds heel veel van elkaar.